Leerprincipes

Om effectief met honden te kunnen trainen, is het noodzakelijk om kennis te hebben van de leerprincipes van de hond. In dit artikel zullen we dan ook kort ingaan op deze leerprincipes en hoe je deze in kunt zetten in de training van je hond.

Klassieke conditionering

Jaren geleden ontdekte Pavlov dat honden gingen kwijlen zodra zij een bel hoorden voordat ze voer zouden krijgen. Hij ontdekte hiermee dat honden verbanden kunnen leggen. Enkele andere voorbeelden van ditzelfde principe zijn de woorden; “ga je mee uit?” waarna je hond enthousiast opspringt, het pakken van je sleutels of het aantrekken van je schoenen, waarna je hond om je heen staat te dansen, want nu gaan we naar buiten toch? Al deze dingen zijn voorbeelden van klassieke conditionering. Deze vorm van conditioneren zorgt er voor dat wanneer een prikkel (A) vaak vooraf gaat aan een andere prikkel (B) dat een bepaald gedrag veroorzaakt, dan zal op den duur prikkel A ook dat gedrag opleveren zonder prikkel B. (in dit geval is A de bel en B het voer in het voorbeeld van Pavlov). Zo wordt een aangeboren onvoorwaardelijke reflex, het kwijlen, door de klassieke conditionering een voorwaardelijke reflex. Simpel gezegd; de hond heeft geleerd dat als het ene gebeurt, het andere waarschijnlijk gebeurt. We kunnen dit ook wel onvrijwillig leren noemen.

Operante conditionering

Behalve klassieke conditionering hebben we de operante conditionering. Dit werkt anders dan de klassieke conditionering. Hierbij gaat het om leren welk gedrag iets oplevert. De hond kan in dit geval zelf een ‘ keuze’ maken tot het uitvoeren van het gedrag als hij bijvoorbeeld dat voertje wil krijgen dat je in je hand hebt. Dit kunnen we dan ook wel vrijwillig leren noemen. Bij het trainen van honden werken klassieke en operante conditionering door elkaar heen. In beide gevallen gaat het in ieder geval om het leggen van verbanden. En dit leggen van verbanden is een belangrijk inzicht in het effectief trainen.

Will to please?

Ken je dat? De eigenaar die trots vertelt dat zijn hond zo’n geweldige will to please heeft? Dan kan jij hem in het vervolg vertellen dat hij ongelijk heeft. Zijn hond heeft geen will to please. Geen enkele hond heeft een will to please. Ze kennen enkel de will to please zichzelf. Een hond vertoont namelijk enkel gedrag dat hem iets oplevert. Op het moment dat je je hond nieuw gedrag wilt aanleren, zul je hem dus iets moeten bieden wat hij de moeite waard vindt om gedrag voor te vertonen. Veelal is dit voer. Voer is voor de hond een zogenaamde primaire beloning. Oftewel, een beloning die niet aangeleerd hoeft te worden, maar die hij direct als beloning zal ervaren. Om te voorkomen dat we alleen voer als beloningsmiddel kunnen gebruiken, leren we vaak een secundaire beloning aan. Dit is vaak het woordje braaf of goed zo. Door dit altijd te zeggen op het moment dat je de brok geeft, koppelt de hond het gevoel van de brok aan het woord dat jij er bij zegt. Zo wordt dit woord ook een beloning voor de hond.
Let wel, gedrag dat de hond niets oplevert, zal op den duur uitsterven. Om gedrag in stand te houden, is het dus belangrijk dat je de hond af en toe nog beloond met voer voor gedrag dat je graag wilt behouden. Zo blijft het voor de hond spannend en voorkom je dat het gedrag uitsterft.

Discrimineren en generaliseren

” Maar thuis doet hij het wel!” Heb je vast wel eens gehoord. De honden die thuis perfect gaan zitten, maar het op de club ineens niet meer doen. Dit is te verklaren aan de hand van de begrippen discrimineren en generaliseren. De hond moet leren situaties en begrippen te onderscheiden. Hij moet leren dat hij moet gaan liggen op het commando af en niet op plat, rol of zit. Daarnaast moet hij leren dat alle andere stimuli in de omgeving geen effect hebben op het krijgen van de beloning, maar dat enkel het commando ‘ af’ betekent dat hij moet gaan liggen waarna hij zijn beloning krijgt.
Daarnaast moeten ze leren dat het uitvoeren van het gedrag niet gebonden is aan bepaalde stimuli of situaties. Een hond die in huis de zit geleerd heeft, moet dus leren dit ook buiten in het park, op het strand, voor de supermarkt, etc uit te voeren. Dit noemen we generaliseren. Dit zijn voor de hond nieuwe situaties, waarbij je er om deze reden rekening mee moet houden dat het best kan zijn dat je weer een stapje terug moet in je training om tot hetzelfde resultaat te komen.

In de praktijk

Als je een hond iets aan wilt leren kun je op verschillende manieren te werk gaan. Ik noem er hier drie. Om te beginnen kun je je hond gedrag aanleren door gebruik te maken van stapsgewijze benadering. Bij deze manier van trainen hak je de oefening in stukjes, waarbij je elk gedrag in de goede richting gaat belonen. Een voorbeeld hiervan is het omrollen. Stel dat je hond de af al kent. Je kunt dan wachten totdat je hond eens een keer op zijn heup rolt en dat gedrag belonen. Nu beloon je enkel het op de heup liggen. Uiteindelijk komt er een punt dat je dit niet meer beloond, maar wacht tot de hond eens op zijn zij rolt. Dit beloon je weer totdat dit gedrag goed bevestigd is, etc. Je bent op deze manier nieuw gedrag aan het vormen. Wat deze manier van trainen moeilijk maakt is dat dit veel geduld vergt en dat timing en snel beslissen enorm belangrijk is. Bij aanvang van de training moet je een beeld van het gewenste gedrag vormen zodat je snel genoeg kunt beslissen. En soms loopt je training ineens anders dan je gepland had waardoor je hier wel op in moet kunnen spelen om te voorkomen dat je je doel niet bereikt. Of je wilt te grote stappen nemen waardoor je hond geen successen kan behalen en het opgeeft, gestrest of gefrustreerd raakt. Zoals je ziet is de methode zeer bruikbaar, maar niet altijd even makkelijk. Bij deze vorm van leren wordt over het algemeen een clicker gebruikt. Je kunt echter ook een clicker woord gebruiken. Het grote voordeel van deze manier van trainen is dat de hond leert dat eigen initiatief wel eens beloond kan worden, waardoor je hond sneller nieuw gedrag zal proberen op het moment dat je hem iets nieuws wilt leren.

Een andere manier is het manipulatief trainen. Hierbij lok je je hond in de gewenste positie met een brokje of een handgebaar. Het voordeel van deze manier van trainen is dat je snel resultaat boekt. Je hond hoeft namelijk niet na te denken, maar hoeft alleen maar de brok te volgen. Het nadeel is dat je hier de brok hulp of het handgebaar weer moet afbouwen en soms blijkt dit erg lastig te zijn waardoor je honden krijgt die alleen maar iets doen als je een brok in je hand hebt of wanneer je hem middels een handgebaar stuurt.
Daarnaast worden sommige honden te afhankelijk van de hulp die ze krijgen, waardoor ze nooit zelf initiatief tonen, maar gaan wachten op de hulp die je ze geeft.

De laatste methode is het backwards chainen. Dit houdt in dat je een koppeling maakt waarbij je van achter naar voren werkt. Deze methode wordt bijvoorbeeld veel bij de flyball of in de behendigheid gebruikt. Je begint bij het einde van de oefening, totdat dit bekent is voor je hond. Vervolgens ga je een stapje terug in de oefening. De hond leert nu iets nieuws, maar kent het einde van de oefening al, waardoor hij sneller vertrouwd zal zijn met het nieuwe deel. Dit is een erg bruikbare manier van trainen en wordt om deze reden dan ook veel ingezet.

We weten nu dat honden een goede beloning nodig hebben voor het aanleren van nieuw gedrag, dat honden vrijwillig en onvrijwillig kunnen leren en dat je verschillende manieren hebt om je hond te trainen, maar dat honden de kans moeten krijgen om te discrimineren en te generaliseren. Je bent nu hard op weg om een goede hondentrainer te worden!

Kelly van Son
Shiva4Dogs

Reacties